IDFA 2009

27 11 2009

idfa1.jpg

Alles leek onecht, de computer waarvoor ik zat, de woorden die ik las, de deur die ik uitging. Hoewel ik me op de vierde verdieping bevond, had ik geen overzicht meer. Ik sliep nog half of driekwart. Het was middag.

IDFA is het jaarlijkse Internationale Documentaire Festival van Amsterdam. Met twee tassen, een plastic zak, een jas en een sjaal strompelde ik te laat binnen in het panelgesprek over financiering van crossplatform documentaires. Crossplatform, transmediaal, multiplatform, crossmediaal zijn woorden die bij iedereen op de lippen branden op samenkomsten als deze. Je vindt ze in de programmaboekjes van festivals en workshop na seminarie na conferentie staan in het teken van cross en trans. Het zijn dure woorden die goedkoop kunnen lijken, maar misschien weten we enkel nog niet hoe we het moeten benoemen, het nieuwe dat zich opdringt. Laten we het nieuwe media noemen, nog voor eventjes.

Er hangen prikkels in de lucht, verdampte verlangens, gesublimeerde nieuwsgierigheid. Je merkt het tijdens de voorstelling van een 3D-camera, die toelaat in een enkel shot de hele ruimte 360 graden te filmen, je vindt het in de bespreking van webdocumentaires en in het gesprek over nieuwe subsidiesystemen voor online projecten. Wat duidelijk lijkt te worden, is dat ‘film’ een rekbaar begrip wordt door projecten als 24 Hours Berlin, Gaza/Sderot, Waterlife of A Swarm of Angels. Wat daarbij opvalt, is dat de consument misschien niet langer thuishoort in een zetel, met de afstandsbediening als enige controlebakje. Tegenwoordig kunnen we onze vingers gebruiken, ons verstand, ons engagement, onze VISA kaart, onze netwerken. Het worden consumentrische tijden, waarin we de dvd kunnen bestellen nog voor de film bestaat en net daarmee de film helpen financieren (cfr. The Age of Stupid). We kunnen de mogelijkheden van Facebook en Twitter gebruiken om bij netwerken aan te sluiten, informatie efficiënt te verspreiden en lobbyen om filmscreenings aan te vragen. Tel alles samen en je komt aan een nieuwe manier van films maken, verspreiden, promoten en bekijken.

Een weerspiegeling zien we in Burma VJ – Reporting from a Closed Country, een Scandinavische film die vorig jaar de hoofdprijs won op IDFA. Na de Tweede Wereldoorlog werd het toenmalige Birma (nu heet het Myanmar) in 1948 onafhankelijk verklaard. Losgeslagen van het Britse gezag, resulteerde die autonomie in zich steeds meer organiserende rebellengroepen. In 1962 richtte generaal Ne Win de Revolutionaire Raad op en startte daarmee een socialistisch klimaat onder een militair bewind. De economie verslechtte en dat leidde in 1987 tot immense betogingen, waarbij de militairen 3000 burgers doodden. Dat is het vertrekpunt van Burma VJ. We zien beelden die een videojournalist in het geheim maakt van mensen in een bus, terwijl hij in een voice over de huidige sfeer in het land beschrijft. Niemand durft zijn mond te openen, van betogingen zijn geen sprake en agenten in burgerkledij verbergen zich overal; angst regeert. Camera’s moeten clandestien gebruikt worden, want informatie mag niet zomaar over de grens gaan en dissidenten worden zonder enige vorm van eerlijk proces in de gevangenis geplaatst.

Toen in 2007 de brandstof in prijs verdubbelde, besloten de boeddhistische monniken stappen te ondernemen. Hoewel de monniken zich niet inmengen met politieke zaken, dreef de onmenselijkheid van de situatie hen uit de tempels en op de straten. De VJ’s filmen de stille, vreedzame, maar massale en gedreven optocht van de kale mannen in rode gewaden. Er gaat een onmiskenbare kracht van hen uit, door de beheersing en de stilte; geen woede, geen geschreeuw, geen spandoeken, enkel een colonne van mensen die geen blijk geven van stoppen. De monniken zijn de enige partij waartegen de overheid niet zomaar durft te reageren, maar toch is de situatie uiterst onvoorspelbaar. Een enkel geweerschot kan het begin van een nieuwe slachtpartij ontketenen. Ondertussen komen mensen meer en meer op straat, eerst om te observeren, daarna bevreesd te applaudisseren en iets later de colonne te volgen. De VJ’s durven de camera’s bovenhalen en mensen schreeuwen in de lens om alles te filmen. De overheid reageert met schietpartijen en arrestaties. Op die kritische momenten is registratiemateriaal het enige wapen dat burgers kunnen hebben. Vechten met de naakte vuisten maakt niks uit tegen het ijzer van de militairen; de wereld ogen bieden op de toestand is de enige uitweg. Dat gebeurt via satellieten die de beelden via een ontvangstcentrum in Oslo naar alle nieuwszenders sturen. Via technologieën als kleine handycams, satellieten en internet is het tegenwoordig mogelijk de wereld getuige te maken van het gesloten land. Nieuwe media maken van iedereen met een gsm of camera een potentiële documentairemaker en journalist. Kijk maar naar de talloze montages van GSM-opnames van 9/11 of de schietpartij op het Rotterdamse festival Sunset Grooves in augustus 2009, waarbij uit alle amateuropnames een reconstructie van de inval van hooligans gebeurde. Het zijn toevallige documentaires, zonder enige vorm van tussenkomst.

burmavj_filmstill1.jpg 

Naast een politiek-sociaal beeld van Myanmar, is Burma VJ vooral een portret van en eerbetoon aan de videojournalisten. Hoewel we ze nooit zien, krijgen we door de beelden die ze schieten een idee van wie ze zijn – eenvoudige mensen die onwaarschijnlijke durf hebben, maar tegelijk doodsbang zijn. Ze zijn echter bereid hun vrijheid en hun leven op te geven om iets te veranderen aan de stiltes op de bus. De amateuristisch geschoten beelden worden afgewisseld met geënsceneerde stukken waarin de VJ’s via chat of telefoon communiceren. Ze bieden noodzakelijke achtergrond en emotionele context voor de beelden uit de hoofdstad Rangoon. Net die omkadering maakt dat Burma VJ een meerwaarde is op nieuwsprogramma’s.

De prikkels beginnen zich te verspreiden. Over de grachten, door de lege straten. Dodelijk snel rijdende fietsers lijken van iets te vluchten. Op mijn hotelkamer denk ik veilig te zijn voor de achtervolgende echtheid, maar ik vergeet dat het oog op de wereld niet ophoudt wanneer je de deur sluit. Ik zet de tv aan en hoor dat Rom Houben 26 jaar is opgesloten in zijn eigen lichaam. ‘Ik ben opgesloten in een lichaam dat niet werkt en iemand heeft de sleutel weggegooid’, kan hij na een kwarteeuw zeggen – Reporting from a Closed Body. Daar, op mijn kleine hotelkamer, overvalt de echtheid me opnieuw en ik kan niet verder ontsnappen. Zelfs het afzetten van de televisie zou niks meer uitmaken; het is gezegd en hangt nu overal, zelfs in mijn kleine badkamer. Duizend vragen en een nachtmerrieachtige angst draaft door mijn lijf en ik voel dat slapen er de eerste uren niet in zit. Ik kan enkel denken aan Rom.

article-1230747-0757e814000005dc-199_468×349.jpg



The 11th Hour

20 05 2008

11thhour-poster-400.jpg

Sinds An Inconvenient Truth ziet de wereld er een beetje anders uit: je ziet autoreclames met milieuvriendelijkheid als argument, in de winkel moet je betalen voor een plastic zakje en je voelt een constante steek van schuld wanneer je iets anders dan een spaarlamp inschroeft. Nobelprijswinnaar Al Gore mag dan wel zijn ideeën over de milieucrisis wereldwijd verspreid hebben, er is nog heel wat werk aan de winkel.
Want, zo laat Leonardo DiCaprio in The 11th Hour weten, het probleem is uiteindelijk niet de berg afval of de benzinezuipers op de baan, maar de denkwijze van de mens.

Velen hebben vast gelijkaardige gevoelens na documentaires over de scheve dingen in de wereld: een overdaad aan schuldgevoel en tegelijk een vreselijk gevoel van wanhoop. “Ik moet iets doen”, denk je, “maar nooit zal ik het niet zelf kunnen oplossen”, zeg je, en uiteindelijk beweeg je amper een vinger. Het is een dubbelheid die spreekt, een ambiguïteit zonder oplossing.
En dat is niet te verwonderen. De mens krijgt immers een dubbele rol toebedeeld in het verhaal, die van dader en slachtoffer tegelijk. We worden verteld dat onze arrogante houding tegenover de natuur alle zuiverende systemen kapot maakt, maar dat deze houding tegelijk in de menselijke natuur ligt. “De orkanen van de laatste jaren zijn nog maar het begin”, voorspelt een deskundige.

En die paradoxale rol zorgt voor een knaging, een ongemak. Wij zijn daders met inactiviteit als moordwapen en slachtoffers van een probleem dat het individu overstijgt. De menselijke natuur maakt ons wie we zijn, technologisch evoluerend en wetenschappelijk onderlegd, maar bevat ook het zaad van onze ondergang. Niet één persoon of één groep is de dader, maar een collectieve attitude nekt ons. Daardoor wankelt de vingerwijzing tussen de ander en onszelf. En geen van de twee is helemaal correct.
Uiteindelijk heeft ook The 11th Hour een ambigu karakter: enerzijds wil het hoopvol overkomen (‘Het is nog niet te laat!’), anderzijds is de boodschap onmiskenbaar morbide (’De mens is maar een voetnoot in de geschiedenis en ons einde is nakend.’). Deze documentaire is inhoudelijk een horrorfilm, met de mens als monster en slachtoffer, de natuur als wraaknemende instantie en piekende grafieken als sporadische schrikeffecten. Maar de eindconclusie is griezeliger dan alle horrorfilms samen: misschien is de aarde beter af zónder ons.

Dit soort documentaires worden geïnitieerd vanuit een menslievendheid, maar monden vaak uit in een overweldigende boodschap over de omvang van de menselijke destructiviteit. Zoals een van de deskundigen stelt: “De gezaghebbers hebben de middelen om milieuvriendelijk te handelen, maar passen die gewoon niet toe”.
Die destructiviteit zit ook vaak verhuld in veelvoorkomende reacties van de kijker, namelijk apathie of goedpraterij. Uiteindelijk kan echter niemand om de boodschap heen dat er iets niet klopt: ofwel slaan de angstaanjagende cijfers nergens op, ofwel wordt een dezer dagen een duurzame brandstof toegepast, ofwel bezoekt de mensheid weldra zijn eigen begrafenis. En als The 11th Hour ons iets wil bijbrengen, is het wel dat er verregaande maatregelen getroffen moeten worden om dat laatste nog te voorkomen. Of we nog op tijd losraken van onze eigen natuur om onze eigen soort te redden, is echter nog helemaal niet zeker.



Darwin’s Nightmare

13 03 2006

darwin_05.jpg

De documentaire Darwin’s Nightmare valt minder te beschouwen als een film, dan wel als een stuk informatie; een stuk informatie van erg groot belang echter.

Het thema? De miserie in de wereld. Na deze film zucht je even en zeg je tegen jezelf -met nodig gevoel voor understatement- ‘het gaat toch eigenlijk allemaal niet zo goed’.

Vele jaren geleden zette een wetenschapper de nijlbaars in het Victoriameer en schreef daarmee geschiedenis. De vis at alle andere op en daarmee veranderde het eco-systeem op drastische manier. Het voordeel? De vis brengt geld op als exportproduct: ‘het is goed voor de economie’ zoals de directeur van het visverwerkingsbedrijf ons tracht te zeggen.

Deze film is het verhaal van een dorp in Tanzania waar de vis gevangen, verwerkt en geëxporteerd wordt.
Documentairemaker Hubert Sauper lijkt zich als een onzichtbaar oog genesteld te hebben in de verschillende buurten en onder de verschillende mensen in het dorp. Daarmee kan hij op scherpe manier de reeds boven vermelde miserie vatten: de prostitués die de vissers enig plezier en soms enig virus bezorgen, de kinderen die de visverpakkingen smelten om het dan als lijm op te snuiven, de bewaker van het centrum voor wetenschappelijk onderzoek wiens voorganger ‘in mootjes werd gehakt’, zoals hij zelf levendig uitbeeldt.

En daar stopt het niet: het geheel van de film laat weinig optimisme toe (zelfs het beeld van typisch bezield Afrikaans zingen blijkt voor een begrafenis te zijn). Wanneer naar het einde toe de militaire motieven nog eens komen bovendrijven, is het absurde verhaal, dat als fictieverhaal vermoedelijk nooit zou verkopen, compleet.
Het nadeel van documentaires die het absurd verderf in de wereld trachten te tonen, is dat het meestal geen ingang vindt onder het volk. Deze documentaire uit 2004 lijkt een van de weinige uitzonderingen te zijn: het vond een distributeur, is ondertussen in sommige videotheken te verkrijgen en won onlangs de Oscar voor beste documentaire. Een ander nadeel is dat een in-your-face documentaire snel vergeten wordt bij de kijker.

 2006-08-06t13_38_07-07_00.jpg

Deze documentaire is er inderdaad ene die de reactie opwekt om na het kijken iets vertrouwds te doen. Het is geen makkelijke film om te bekijken; ongeveer elk moment heb je zin om de stopknop hard in te duwen en naar Notting Hill te kijken.

Hoe komt dit nu? De manier waarop het zijn boodschap wil verkondigen (‘geen Westerse winst zonder Afrikaans verlies’) gebeurt op een vrij verlammende manier. Het wekt een soort hulpeloosheid op, daar waar een film als Fahrenheit 9/11 eerder woede uitlokt. En woede kan constructief aanvoelen: ‘hoe kàn dit nu gebeuren en wàt kunnen we eraan doen?’. Fahrenheit 9/11 mag dan wel woede uitlokken; woede naar 1 persoon toe mist enige nuance en gevoel voor complexiteit. Het zoeken naar een schuldige om daarna kwaad op te zijn, is niet de bedoeling van Darwin’s Nightmare. Het lijkt je vooral te doen aanvoelen dat het slechter gaat in de wereld dan je denkt.

Het gevoel totaal geen controle te hebben over een vreselijke situatie is een gemeenschappelijke vijand van alle mensen. We zien het ìn de film (dat de mensen de visresten verwerken tot voedsel voor zichzelf, lijkt te zeggen ‘kijk, we doen er toch iets mee’), maar als passieve kijker tracht je het vooral te vergeten.

Hopelijk heeft de film toch een gelijkaardig, maar tegengesteld effect als het plaatsen van de nijlbaars in het victoriameer: een verspreiding, een verspreiding van een boodschap, die het eco(nomisch)-systeem op lange termijn misschien verandert.