The Mist

26 04 2008

 

photo_05.jpg 

 

Met The Mist is het al de vierde keer dat filmmaker Frank Darabont teruggrijpt naar een boek van Stephen King. Na het onbekende The Woman in the Room, het veelgelauwerde The Shawshank Redemption en het verrassende The Green Mile, beroept Darabont zich deze keer op The Mist, een van Kings bovennatuurlijke thrillers. De ‘mist’ uit de titel verwijst naar een mysterieuze wolk die over een rustig dorpje komt getrokken; niemand weet wat het is of waarom het er is. Maar dan ontdekt een groep mensen, gevangen in een supermarkt, dat er een gevaarlijke entiteit in schuilt. Gedurende de film volgen we deze groep, bestaande uit de vader/held David, de moederfiguur Amanda, de winkelbediende Ollie, de godsdienstfanatieke Mrs. Carmody en enkele andere figuren.

Het slechte nieuws is dat de eerste helft van The Mist bijzonder saai is. Het bevat geen spectaculaire verrassingen, meer zelfs, het verhaal en de personages zijn bijzonder stereotiep. Vooral acteur Thomas Jane maakt van zijn personage David een vieze, onverstoorbare, all-American hero. Maar de volhouder wordt beloond. Vanaf de tweede helft verandert Darabont immers subtiel van koers. Het gaat hem plots helemaal niet meer om de vreemde wezens in de mist, maar om de vermiste monsters in de mens zelf. Daar ligt een primitief wezen verscholen, dat bij paniek geen rekening houdt met algemene beschaafdheid en in een staat van onzekerheid hulp zoekt bij de meest gestoorde prekers. Zo is de evolutie van Mrs. Carmody’s religieuze invloed indrukwekkend. Net zoals There Will Be Blood wordt hier een onrechtstreekse sneer gemaakt naar het godsdienstfanatisme in Amerika; het is geen toeval dat enkele scènes doen terugdenken aan de documentaire Jesus Camp.
Naar het einde toe wordt duidelijk dat Darabont, net als met The Shawshank Redemption en The Green Mile, een verhaal wil vertellen over hoop; het beklijvende einde is het ultieme hoogtepunt van zijn betoog.

The Mist is al bij al een bizarre film. Op het eerste zicht is het een spannende monster-attack-thriller, maar eigenlijk is het een studie over het menselijke gedrag in extreme omstandigheden. Darabont profileert zijn film na verloop van tijd dan ook niet meer als thriller en filmt de obligate scènes (zoals: een groepje gaat op onderzoek uit) zonder typische atmosferische muziek en suggestieve geluidseffecten. Daarom snijdt The Mist veel dieper dan een film als 30 Days Of Night, die het vooral moeten hebben van oppervlakkige thrills. Een verrassende, intelligente monsterfilm dus - nooit gedacht dat nog mee te maken.

-> zie www.kutsite.com



Night of Terror 2008

21 04 2008

 artwork_left.jpg

1. Het was pas laat in de namiddag toen we vertrokken. Ik had mijn slaap strategisch gepland en mijn gedachten waren al bij zwarte chocolade en koffie. We hadden een lange nacht voor de boeg. Night of Terror is een traditie op het Amsterdam Fantastic Film Festival (AFFF): een marathon van horrorfilms, van halfeen ’s nachts, wanneer respectabele mensen gaan slapen, tot halfacht ’s ochtends, wanneer respectabele mensen opstaan. Het was ons plan allesbehalve respectabel te zijn. We verkleedden ons als moerasmonsters, aten look, dronken pinten en reden naar Amsterdam.

2. Toegekomen was er een massale opkomst. “Voor jullie”, verzekerde ons een passant. Hij zag er allesbehalve respectabel uit en we vertrouwden hem meteen. Hij kwam in de auto zitten en vertelde verhalen over concentrische riviertjes, rode lichtjes die enkel zichtbaar zijn wanneer uilen huilen en over hoe mensen vrolijk worden van de stadsgeur.

3. We parkeerden onze auto bij het water. “Wist je dat er jaarlijks waanzinnig veel auto’s in het Amsterdamse water gevonden worden?”, zei hij. Ik knikte wat ongeïnteresseerd, maar vond het een akelige gedachte. Wij, in onze auto, daar op de bodem, rijdend in cirkels die plots zo nutteloos concentrisch waren.

4. We zochten onze bioscoop, Tuschinski. Centraal gelegen in Amsterdam, met een gevel die het midden houdt tussen kitsch en vintage en mooi en lelijk. We deden ons ding en toen deed het ding ons. Toeval. We kwamen Belgen tegen – mooie meisjes die ons deden lachen.

5. “Eten”, zei ik, “we hebben eten nodig.” Onze zoektocht gebeurde in een Albert Heijn en ons winkelmandje veranderde in een puinhoop. De groene rasters verdwenen door een overladen stapel suiker, zout en andere marginaliteiten. We kochten alles wat er enigszins lekker uitzag en een etiket droeg met een grappige naam.

6. Onze blauwe Albert Heijn-zak zat vol en wij waren er klaar voor. We moesten alleen nog vier uren wachten tot het halfeen was. We stapten, zelfverzekerd, een Aziatisch restaurant binnen en gingen zitten zonder het te vragen. Er lag een kat naast me en een Amerikaan die zijn meisje trachtte te verleiden met een iPhone. “Het lukt je vast”, dacht ik en wierp hem een hoopvolle blik toe. De kat miauwde en stak haar klauwen naar hem uit; ze was niet onder de indruk. De dienster kwam naar me toe en vroeg of ik het lekker vond. “Ja”, zei ik, “alleen wat pikant”. “Wilt u andere schotel? Ik kan in de keuken vragen of ze iets anders maken voor u.” Haar vriendelijkheid bluste mijn tong.

7. Nog twee uren. Het gemoed zat goed, maar dat zou het niet lang meer zijn. Het was de vermoeidheid, de onrust, de jaloezie, maar plots verdween ik in de greppels van de stad. Mijn voetsporen verdwenen achter me en mensen liepen door me heen. Mijn voeten kwamen vast te zitten in het moeras onder de straatstenen en mijn wanhopige blik trok niemands aandacht. Hij stond bij een winkel met designer-lampen en het licht verblindde hem.

8. Aan de mooie lelijke bioscoop was een hoop volk en in die hoop verloren we de hoop: “Eten is toegelaten, maar drank moet je uitschenken.” We waren lost in translation en hadden enkel een excuus van 200 kilometer kort. “Wat bedoelt u?”, vroeg ik. “U mag eten in de zaal meenemen, maar drank moet je uitschenken.” Ik deed zoals van mij verwacht werd: ik knikte, maar was geen meter wijzer. Na een strenge selectie (“pakken we de ‘lichtbruintjes’ mee? en wat met de ‘nogal lange koekjes’?”) gingen we ervoor en stopten we onze rugzak vol met wat ons door de nacht moest halen. We schonken onze energiedrankjes uit en lazen wat op de poster in de centrale hal stond: “Jullie zoeken altijd meer dan de woorden die er zijn”.

9. We gingen tussen twee mensen zitten die alleen gekomen waren. Ik zei hallo en dronk van mijn energiedrankje. Er kwamen verwelkomende mensen op het podium, het publiek schreeuwde en de energie die ik gedronken had, transpireerde ik in anticipatie weer uit. Toen de eerste film begon, bleek dat het publiek zich vergist had; het dacht in een voetbalmatch te zitten. Mensen schreeuwden vuile woorden, moedigden filmpersonages aan en vulden stilte met agressie.

dsc02190.JPG

10. Ik zag de teloorgang van glories. Ik zag het Romeinse rijk op haar laatste momenten, Griekse helden op het einde van hun krachten. Er werd met bier gegooid en ‘hoer’ geroepen, stilte werd gemeden en angst omgezet in belachelijkheid. Luidheid werd een cultuur. Op het scherm zag ik bange mensen en ik kon niet anders dan woedend worden.

11. Het werd een test van hoe selectief we onze aandacht konden richten. Tijdens de eerste film, het Spaanse [Rec], was dat quasi onmogelijk. Mijn tweede buurman zat in hogere sferen en had de meest ver-dragende stem die ik ooit gehoord had. Bij elk spatje bloed riep hij, met uitgerokken klanken, “Menstruatiekloddee-eers” en bij elk vrouwelijk personage “Hoeee-eeer”. Hatchet, de tweede film op het programma, was een komische horrorfilm en verdiende de commentaren van het publiek wel. Maar omdat er geen ondertitels waren, begrepen we eigenlijk niet echt wat er gebeurde. Na de film leek onze buurman even in te dommelen, maar bij de begintitels van À L’Intérieur (Inside) ontwaakte hij uit zijn alcoholdutje. “Zet dat aaa-aaaf”, riep hij. “Verdomme”, fluisterden wij.

12. À L’Intérieur. Een zwangere vrouw, wier echtgenoot in een auto-ongeluk stierf, moet nog één avond thuisblijven voor ze het ziekenhuis in moet voor de bevalling. Net op die avond krijgt ze bezoek van een andere vrouw die het gemunt heeft op haar ongeboren kind.
Wat horrorfilms aantrekkelijk maakt, is het feit dat ze prikkelen. Ze steken met naaldjes door het scherm, kietelen je, houden je wakker. Maar deze keer kwamen messen door het scherm, botte punten met het bloed er nog aan. Ik kon niet anders dan de handen voor mijn ogen houden. Ik kan me amper nog herinneren wanneer ik dat nog eens deed; maar tijdens de finale van À L’Intérieur verraste ik mezelf.

a_l_interieur_1.jpg

13. Tijdens de vierde film, The Rage, gaf ik het op. De uitputting van À L’Intérieur, de algemene vermoeidheid en de wens om even mijn zintuigen te sluiten, haalden het van mijn zin de zaken af te werken. Ik werd wakker en tien seconden later was het allemaal gedaan. Ik wandelde langs het pad waar ik was binnengekomen, maar alles mooi en vers en nieuw was weg. De rode loper was bevuild met gescheurde flyers, ingedeukte bekers en chaotische slierten WC-papier. Het was een pak stiller. De schreeuwers wilden gaan slapen, maar ik wilde hen in elkaar slaan en zeggen dat het leven niet altijd eerlijk is.

14. Op straat was de zon opgekomen. Onze auto stond waar we hem hadden achtergelaten. We reden eventjes, maar ik wilde naar huis gaan. Mijn lichaam was geprikkeld, maar mijn oren en ogen hadden er genoeg van. We stopten bij een tankstation en genoten van het oranje dat de zon door onze oogleden scheen. Drie uren later werden we wakker en merkten we dat we op de bodem van een riviertje waren terechtgekomen. De ruiten waren gesloten en slechts een klein straaltje water kwam binnen. We keken naar onze omgeving, helder water vol rode vissen en nieuwsgierige diepzeeduikers, en besloten door te rijden, al was het in concentrische cirkeltjes.



Tussenstand

18 04 2008

tussenstand.jpg 

(nu op dvd)

Afspreken met een vroegere geliefde, het levert vaak een patstelling op. Je weet opnieuw waarom je hem of haar zo graag zag, of herontdekt waarom jullie tijd samen moest aflopen. De val van een nefast verlangen, of zout op een vergeten wonde.

Veertigers Roos en Martin zitten samen te eten in een rumoerig restaurant. Het gescheiden koppel heeft een zeventienjarige zoon Isaac, die inwoont bij moeder Roos. De ontmoeting staat in het teken van Isaac. Roos merkt immers dat deze zich stilaan isoleert van de wereld, geen woord meer zegt, geen deur meer opent. Een probleem dat zij als ouder zo snel mogelijk opgelost wil zien. Na enkele minuten gaat gesprek tussen Roos en Martin echter al lang niet meer over Isaac. Het ex-koppel verdwaalt in een verbale tijdbom van verwijten, sarcasme en gedempt geweld. Boven het geroezemoes van pratende mensen en rondlopende obers horen we woorden, niets dan woorden. Wat zoon Isaac mist, lijken Roos en Martin de hele ruimte mee te vullen. En toch komen ze nergens. De gesprekken suggereren een lawine van emotie waar de woorden nog naar verwijzen, maar die ze niet langer kunnen veranderen.

Luidruchtige scènes met Roos of Martin worden afgewisseld met atmosferische, muisstille beelden van Isaac. Door het schitterende gebruik van geluid begin je de verhouding tussen ouders en kind te begrijpen. Zijn stilzwijgen is een antwoord op de woordenwirwar van moeder en vader, maar brengt hen tegelijk ook weer samen aan tafel. Wat is een kind anders dan een symptoom van zijn ouders?
Mijke de Jong filmt alle gesprekken van achter de rug van de personages, in plaats van op een imaginaire zijlijn. Het maakt het beeld erg vol en de scènes erg druk. Het contrast met de op afstand opgenomen scènes met Isaac is des te groter.
Naast een fantastische geluids- en beeldvormgeving, is Tussenstand ook schatplichtig aan de vertolkingen van Elsie de Brauw en Marcel Musters, Roos en Martin. De twee acteurs bezitten immers het vermogen om woorden te beladen met geschiedenis en verhaal. Door hun blikken, intonaties, bewegingen maken ze flashbacks naar vroegere ruzies onnodig. Het verleden is aanwezig in elke zin die ze uitspreken.

Toch voel je onder hun woorden steeds een connectie, alsof ze ondanks alles toch voor elkaar bestemd zijn, alsof ze elkaar ontmoeten op het meest intieme niveau, maar op alle andere missen. ‘Het tegendeel van liefde is niet haat. Het tegendeel van liefde is onverschilligheid’, zei ooit iemand. En soms verraadt haat een verdwaald stukje liefde.