
1. Het was pas laat in de namiddag toen we vertrokken. Ik had mijn slaap strategisch gepland en mijn gedachten waren al bij zwarte chocolade en koffie. We hadden een lange nacht voor de boeg. Night of Terror is een traditie op het Amsterdam Fantastic Film Festival (AFFF): een marathon van horrorfilms, van halfeen ’s nachts, wanneer respectabele mensen gaan slapen, tot halfacht ’s ochtends, wanneer respectabele mensen opstaan. Het was ons plan allesbehalve respectabel te zijn. We verkleedden ons als moerasmonsters, aten look, dronken pinten en reden naar Amsterdam.
2. Toegekomen was er een massale opkomst. “Voor jullie”, verzekerde ons een passant. Hij zag er allesbehalve respectabel uit en we vertrouwden hem meteen. Hij kwam in de auto zitten en vertelde verhalen over concentrische riviertjes, rode lichtjes die enkel zichtbaar zijn wanneer uilen huilen en over hoe mensen vrolijk worden van de stadsgeur.
3. We parkeerden onze auto bij het water. “Wist je dat er jaarlijks waanzinnig veel auto’s in het Amsterdamse water gevonden worden?”, zei hij. Ik knikte wat ongeïnteresseerd, maar vond het een akelige gedachte. Wij, in onze auto, daar op de bodem, rijdend in cirkels die plots zo nutteloos concentrisch waren.
4. We zochten onze bioscoop, Tuschinski. Centraal gelegen in Amsterdam, met een gevel die het midden houdt tussen kitsch en vintage en mooi en lelijk. We deden ons ding en toen deed het ding ons. Toeval. We kwamen Belgen tegen – mooie meisjes die ons deden lachen.
5. “Eten”, zei ik, “we hebben eten nodig.” Onze zoektocht gebeurde in een Albert Heijn en ons winkelmandje veranderde in een puinhoop. De groene rasters verdwenen door een overladen stapel suiker, zout en andere marginaliteiten. We kochten alles wat er enigszins lekker uitzag en een etiket droeg met een grappige naam.
6. Onze blauwe Albert Heijn-zak zat vol en wij waren er klaar voor. We moesten alleen nog vier uren wachten tot het halfeen was. We stapten, zelfverzekerd, een Aziatisch restaurant binnen en gingen zitten zonder het te vragen. Er lag een kat naast me en een Amerikaan die zijn meisje trachtte te verleiden met een iPhone. “Het lukt je vast”, dacht ik en wierp hem een hoopvolle blik toe. De kat miauwde en stak haar klauwen naar hem uit; ze was niet onder de indruk. De dienster kwam naar me toe en vroeg of ik het lekker vond. “Ja”, zei ik, “alleen wat pikant”. “Wilt u andere schotel? Ik kan in de keuken vragen of ze iets anders maken voor u.” Haar vriendelijkheid bluste mijn tong.
7. Nog twee uren. Het gemoed zat goed, maar dat zou het niet lang meer zijn. Het was de vermoeidheid, de onrust, de jaloezie, maar plots verdween ik in de greppels van de stad. Mijn voetsporen verdwenen achter me en mensen liepen door me heen. Mijn voeten kwamen vast te zitten in het moeras onder de straatstenen en mijn wanhopige blik trok niemands aandacht. Hij stond bij een winkel met designer-lampen en het licht verblindde hem.
8. Aan de mooie lelijke bioscoop was een hoop volk en in die hoop verloren we de hoop: “Eten is toegelaten, maar drank moet je uitschenken.” We waren lost in translation en hadden enkel een excuus van 200 kilometer kort. “Wat bedoelt u?”, vroeg ik. “U mag eten in de zaal meenemen, maar drank moet je uitschenken.” Ik deed zoals van mij verwacht werd: ik knikte, maar was geen meter wijzer. Na een strenge selectie (“pakken we de ‘lichtbruintjes’ mee? en wat met de ‘nogal lange koekjes’?”) gingen we ervoor en stopten we onze rugzak vol met wat ons door de nacht moest halen. We schonken onze energiedrankjes uit en lazen wat op de poster in de centrale hal stond: “Jullie zoeken altijd meer dan de woorden die er zijn”.
9. We gingen tussen twee mensen zitten die alleen gekomen waren. Ik zei hallo en dronk van mijn energiedrankje. Er kwamen verwelkomende mensen op het podium, het publiek schreeuwde en de energie die ik gedronken had, transpireerde ik in anticipatie weer uit. Toen de eerste film begon, bleek dat het publiek zich vergist had; het dacht in een voetbalmatch te zitten. Mensen schreeuwden vuile woorden, moedigden filmpersonages aan en vulden stilte met agressie.

10. Ik zag de teloorgang van glories. Ik zag het Romeinse rijk op haar laatste momenten, Griekse helden op het einde van hun krachten. Er werd met bier gegooid en ‘hoer’ geroepen, stilte werd gemeden en angst omgezet in belachelijkheid. Luidheid werd een cultuur. Op het scherm zag ik bange mensen en ik kon niet anders dan woedend worden.
11. Het werd een test van hoe selectief we onze aandacht konden richten. Tijdens de eerste film, het Spaanse [Rec], was dat quasi onmogelijk. Mijn tweede buurman zat in hogere sferen en had de meest ver-dragende stem die ik ooit gehoord had. Bij elk spatje bloed riep hij, met uitgerokken klanken, “Menstruatiekloddee-eers” en bij elk vrouwelijk personage “Hoeee-eeer”. Hatchet, de tweede film op het programma, was een komische horrorfilm en verdiende de commentaren van het publiek wel. Maar omdat er geen ondertitels waren, begrepen we eigenlijk niet echt wat er gebeurde. Na de film leek onze buurman even in te dommelen, maar bij de begintitels van À L’Intérieur (Inside) ontwaakte hij uit zijn alcoholdutje. “Zet dat aaa-aaaf”, riep hij. “Verdomme”, fluisterden wij.
12. À L’Intérieur. Een zwangere vrouw, wier echtgenoot in een auto-ongeluk stierf, moet nog één avond thuisblijven voor ze het ziekenhuis in moet voor de bevalling. Net op die avond krijgt ze bezoek van een andere vrouw die het gemunt heeft op haar ongeboren kind.
Wat horrorfilms aantrekkelijk maakt, is het feit dat ze prikkelen. Ze steken met naaldjes door het scherm, kietelen je, houden je wakker. Maar deze keer kwamen messen door het scherm, botte punten met het bloed er nog aan. Ik kon niet anders dan de handen voor mijn ogen houden. Ik kan me amper nog herinneren wanneer ik dat nog eens deed; maar tijdens de finale van À L’Intérieur verraste ik mezelf.

13. Tijdens de vierde film, The Rage, gaf ik het op. De uitputting van À L’Intérieur, de algemene vermoeidheid en de wens om even mijn zintuigen te sluiten, haalden het van mijn zin de zaken af te werken. Ik werd wakker en tien seconden later was het allemaal gedaan. Ik wandelde langs het pad waar ik was binnengekomen, maar alles mooi en vers en nieuw was weg. De rode loper was bevuild met gescheurde flyers, ingedeukte bekers en chaotische slierten WC-papier. Het was een pak stiller. De schreeuwers wilden gaan slapen, maar ik wilde hen in elkaar slaan en zeggen dat het leven niet altijd eerlijk is.
14. Op straat was de zon opgekomen. Onze auto stond waar we hem hadden achtergelaten. We reden eventjes, maar ik wilde naar huis gaan. Mijn lichaam was geprikkeld, maar mijn oren en ogen hadden er genoeg van. We stopten bij een tankstation en genoten van het oranje dat de zon door onze oogleden scheen. Drie uren later werden we wakker en merkten we dat we op de bodem van een riviertje waren terechtgekomen. De ruiten waren gesloten en slechts een klein straaltje water kwam binnen. We keken naar onze omgeving, helder water vol rode vissen en nieuwsgierige diepzeeduikers, en besloten door te rijden, al was het in concentrische cirkeltjes.